Nieuwe inzichten vervanging verzadigd vet door linolzuur

Het vervangen van verzadigd vet door linolzuur leidt tot een lagere cholesterolwaarde in het bloed, maar heeft geen positief effect op de hart- en vaatgezondheid. Dit blijkt uit nieuwe analyses van een onderzoek uit de jaren ’60 en ’70.

In de periode 1968 tot 1973 is er een groot cohortonderzoek (‘Minnesota Coronary Experiment’) uitgevoerd dat keek
naar het effect van het vervangen van verzadigd vet door linolzuur (meervoudig onverzadigd vet) op de hart- en vaat gezondheid. Dit onderzoek bevestigde de verwachting dat de interventie het serumcholesterol zou verlagen. Er werd toen in zowel de interventiegroep als de controlegroep geen vermindering gevonden op de totale sterfte of de sterfte door aandoeningen aan hart- en vaten. Nieuwe analyses door Ramsden en collega’s (2016) binnen dezelfde MCE studie geven een andere kijk op de resultaten van toen: de groep met linolzuur had juist een hogere kans op deze aandoeningen, blijkt nu volgens de onderzoekers. (1)

Studieopzet

De MCE studie is uitgevoerd tussen 1968 en 1973 in de staat Minnesota in de Verenigde Staten. In de studie deden 9570 mannen en vrouwen uit verschillende ziekenhuizen mee. De leeftijd varieerde van 20 tot 97 jaar. De interventiegroep kreeg een voedingspatroon waarbij verzadigd vet werd vervangen door linolzuur. De hoeveelheid verzadigd vet in de voeding was hierdoor ongeveer 9 energieprocent en hiermee ongeveer 50% lager dan voor aanvang van de studie (18,5 energieprocent). De inname van linolzuur werd verhoogd van 3,4 energieprocent naar 13,2 energieprocent in de interventiegroep. In de controlegroep werd de verzadigd vet inname niet aangepast, maar de lage inname van linolzuur werd iets verhoogd (3,4 energieprocent naar 4,7 energieprocent).

Resultaten

De nieuwe analyses door Ramsden et al (2016) laten zien dat de groep met minder verzadigd vet en meer linolzuur in het voedingspatroon een significant lager totaal cholesterol (-13,8%) heeft dan de controlegroep. De lagere cholesterolwaarde in de interventiegroep had echter geen effect op de overlijdenskans. In zowel de controle- als interventiegroep was het risico op overlijden (alle doodsoorzaken) ongeveer gelijk: een verlaging van het cholesterol met 0,78 mmol/L was geassocieerd met een 22% hogere risico op overlijden in beide groepen samen.

Om de resultaten in een kader van recentere studies te plaatsen hebben de onderzoekers een meta-analyse uitgevoerd met vijf Randomized Controlled Trials met in totaal 10.808 deelnemers. Ook uit deze analyse bleek er geen lagere kans op aandoeningen aan de hart- en vaten te zijn door het vervangen van verzadigd vet in de voeding door linolzuur. Maar de conclusie die getrokken wordt uit nieuwe analyses van de MCE studie – een lager cholesterol heeft geen effect op de overlijdenskans – wordt in de meta-analyse niet bevestigd.

Discussie

Deze opvallende resultaten worden door de onderzoekers breed bediscussieerd. De nieuwe analyses vonden plaats op het cohort waarbij het serum cholesterol van de deelnemers voor tenminste 1 jaar is gemeten, dus observationeel onderzoek. Dit betekent dat de conclusies van observationele aard zijn en geen oorzaak en gevolg verbanden aantonen. Ook is het effect op totaal cholesterol onderzocht en is er geen onderscheid gemaakt tussen LDL en HDL cholesterol. Terwijl juist het apart bekijken van het LDL en het HDL cholesterol beter inzicht geeft in het (mogelijke) effect op de gezondheid van hart- en vaten. Hiernaast is er onvoldoende inzicht in de leefstijlfactoren van de participanten in zowel de interventie- als de controlegroep. Roken, alcoholgebruik en andere leefstijlfactoren hebben namelijk effect op de gezondheid van hart- en vaten en kunnen de conclusies beïnvloeden.

De conclusies door Ramsden et al (2016) kunnen bovendien niet één op één doorvertaald worden naar de algemene bevolking. De onderzoekers benoemen in de publicatie een aantal punten:

Hoge inname van linolzuur

Het interventiedieet in het onderzoek bevatte ruim twee keer zoveel linolzuur als in het gemiddelde Amerikaanse voedingspatroon. Het is volgens de onderzoekers de vraag of dezelfde effecten worden gevonden bij een lagere inname van linolzuur.

Geen gezonde populatie

Het onderzoek is uitgevoerd bij mensen die in een verzorgingstehuis woonden of op een psychiatrische afdeling in het ziekenhuis lagen. De vraag is of de resultaten ook door te vertalen zijn naar de hele bevolking.

Effect bij andere producten met linolzuur

In het onderzoek is het effect van linolzuur onderzocht door de consumptie van geconcentreerde plantaardige oliën met linolzuur te verhogen. Het is onbekend of ditzelfde effect wordt gevonden bij andere voeding, waar linolzuur van nature in vaak lagere hoeveelheden in zit.

Perspectief

De Gezondheidsraad heeft in november 2015 de nieuwe Richtlijnen Goede Voeding gepubliceerd. Hierbij is ook het effect van verzadigde vetzuren ten opzichte van meervoudig onverzadigde vetzuren op hart- en vaatgezondheid uitvoerig bekeken. Zij concluderen met een grote bewijskracht dat: “Het vervangen van 10 energieprocent verzadigde vetzuren door meervoudig onverzadigde vetzuren verlaagt het risico op coronaire hartziekten met ongeveer 15%”.

Hiervoor bekeek de commissie zes meta-analyses en twee systematische reviews. De publicatie van Ramsden et al (2016) is hierin niet meegenomen, maar het rapport van de Gezondheidsraad zet kanttekeningen bij soortgelijke studies:

  • In sommige onderzoeken is heeft (een deel van) de onderzoekspopulatie hart- of vaatklachten. De ernst van deze aandoening kan van grotere invloed zijn op de overlijdenskans dan het voedingspatroon in de interventie.
  • De voedingsinterventie kan samengaan met leefstijlaanpassingen na het optreden van de hartaandoening, waaronder afvallen, meer bewegen en stoppen met roken. De effecten hiervan worden niet altijd onderzocht.
  • In studies van voor 1990 bevatte margarines en bak- en braadvetten gemaakt met plantaardige oliën (o.a. linolzuur) ook veel transvetzuren. Transvetzuren hebben nadelige effecten op de hart- en vaatgezondheid.

Kortom, de vetzuurdiscussie blijft in beweging. Methodologisch zijn er kanttekeningen te plaatsen bij de verschillende onderzoeken en is het lastig harde conclusies te trekken. Zo is de inname van de verschillende vetzuren in de praktijk vaak veel lager, dan dat er in de Randomized Controlled Trials wordt onderzocht. Ter vergelijking: de gemiddelde inname van linolzuur is in Nederland 5,5 energieprocent, terwijl in de MCE studie een inname van ruim 13 energieprocent linolzuur wordt gehanteerd in de interventie. Bovendien laat Ramsden et al (2016) zien dat een vervanging van verzadigd vet door meervoudig onverzadigde vetzuren in de vorm van linolzuur niet per definitie beter is voor de kans op overleven.

Bron:

Ramsden, C.E. et al. (2016). Re-evaluation of the traditional diet-heart hypothesis: analysis of recovered data from Minnesota Coronary Experiment (1968-73). BMJ 2016;353:i1246 http://dx.doi.org/10.1136/bmj.i1246

Gezondheidsraad (2015). Verzadigde, enkelvoudig en meervoudig onverzadigde (n-6) vetzuren. Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015. Den Haag: Gezondheidsraad, 2015; publicatienr. A15/22.